De belichtingsdriehoek

Hier dan het beloofde hoofdstuk over de belichtingsdriehoek, waar alle belichtingsinstellingen samenkomen.
De drie instellingen die te maken hebben met de belichting, diafragma, sluitertijd en ISO zijn allemaal met elkaar verbonden.
Als het licht hetzelfde blijft zal een wijzing van één van deze instellingen gecorrigeerd moeten worden door het veranderen van een van de twee andere onderdelen.
Denk hierbij aan een driehoek waarbij iedere instelling een hoek inneemt en een gelijk effect zal hebben op de uiteindelijke belichting.

Het diafragma zal bepalen hoeveel licht de sensor bereikt. Hoe kleiner het F-getal, hoe groter de opening waar het licht doorheen valt zal zijn.
Met de sluitertijd bepaal je hoe lang het licht doorgelaten wordt.
Ten slotte bepaalt de ISO waarde de lichtgevoeligheid van je sensor.
Genoeg technische achtergrond. We gaan direct naar een voorbeeld.
In een tamelijk donker gebouw waar een statief niet toegestaan is, wil je een minimale sluitertijd van 1/60 seconde om bewegingsonscherpte te voorkomen. Je camera staat op diafragma voorkeuze en had je ingesteld op f/4 en je ISO stond op 400.
Je belichtingsmeter geeft nu aan dat de bijbehorende sluitertijd bij het aanwezige licht dan 1/30 seconde is.
Vanwege de kans op bewegingsonscherpte wilde je die echter minimaal op 1/60 hebben.
Dit is een complete stop minder licht en bij verzetten naar 1/60 zal je dus met een van de beide andere instellingen er voor moeten zorgen dat je daarmee ook een complete stop (verdubbeling) meer licht krijgt. In dit geval zal je de ISO op 800 moeten zetten of het diafragma op f/2.8.

Mijn persoonlijk keuze zou dan zijn om het diafragma te veranderen omdat een verhoging van de ISO waarde voor extra ruis in je opname kan zorgen.
Verder maakt een lager diafragma getal de scherptediepte minder waardoor je hoofdonderwerp mooi losgemaakt wordt van de omgeving.

Een ander voorbeeld. Van een waterval wil ik het water bewegend maken om een mooi effect te bereiken.
Mijn toestel staat nog op 400 ISO en het diafragma op f/4 en de meter geeft aan dat ik voor een goede belichting dan een sluitertijd zou hebben van 1/125 seconde.
Met 1/125 seconde wordt de waterval echter bevroren en ik schat dat voor het nodige bewegingseffect ik ongeveer een sluitertijd van 1/25 seconde nodig zal hebben.
Dat betekent als ik de sluiter op 1/25 zet il 6 volledige stops teveel licht binnen krijg.
Om dit te bereiken zet ik daarvoor de ISO terug naar 100 (dit is bij een hoop toestellen de minimale waarde), dat zijn dan vast 2 stops.
Van 400 naar 200 is 1 stop en van 200 naar 100 nog eentje.
Dan moet ik met het diafragma nog 4 stops regelen:
van f/4 naar f/5,6 naar f/8 naar f/11 naar f/16 is samen de resterende 4 stops,
Uiteindelijk schiet ik dus het plaatje met:
sluitertijd: 1,25
diafragma: f/16
ISO: 100

Het lijkt een hele hoop gereken maar de waarden staan op je camera allemaal keurig aangegeven op de knopjes en in je zoeker.
Het valt dus echt wel een beetje mee.
In 90% van de gevallen staat mijn camera op diafragma voorkeuze en op het kleinste getal omdat ik alleen mijn hoofdonderwerp
scherp wil houden.
Ik richt en kijk in de zoeker of mijn sluitertijd snel genoeg is om bewegingsonscherpte te voorkomen (weet je nog: minimaal je
gekozen brandpuntsafstand in seconde).
Zie ik dat die aangeeft 1/100 en staat mijn lens ingezoomd op 200, dan draai ik de ISO omhoog tot de sluitertijd sneller of gelijk
is dan de gewenste 1/200 seconde.
Geeft de sluitertijd 1/1000 aan dan kijk ik of de ISO nog lager gezet kan worden want hoe lager die staat hoe minder kans op ruis.
Dus niet teveel rekenen, pak gewoon je camera en speel er eens mee in je huiskamer, tuin of balkon en je zult zien dat als je de slag eenmaal doorhebt het fotograferen veel eenvoudiger wordt.

Rein